woensdag 2 november 2011

Toepassingskaart, Psycho-sociale aspecten

1. Zoek drie actuele artikelen met betrekking tot het onderwerp verschillen in ontwikkeling en leren tussen jongens en meisjes in het basisonderwijs. Geef kort weer wat de conclusie is van de auteur. Geef je eerste indruk; klopt dit?

Artikelen

http://www.breinbewust-onderwijs.nl/files/File/brein.pdf

Conclusie van de schrijver
Meisjes zijn van kleins af aan al meer met andere dingen bezig dan jongens. Meisjes zijn veel meer bezig met hun ouders of verzorgers dan jongens. Dit zet zich eigenlijk voort in het verdere leven. Hierdoor wordt de sociaal-emotionele ontwikkeling op een andere manier geprikkeld dan bij jongens.
Het verschil tussen jongens en meisjes heeft te maken met het aanmaken van testosteron bij de jongens en oestrogeen bij de meisjes. Het wekt bij beide andere reacties op in de hersenen. Waardoor ze ook met andere dingen bezig zijn en andere emoties tonen in verschillende situaties. In Amerika zijn er veel scholen die aparte scholen heeft voor jongens en een aparte scholen heeft voor meisjes. De auteur laat door middel van voordelen en nadelen zien wat het beste zou zijn voor jongens en meisjes.
Ik zelf denk dat jongens en meisjes gewoon door elkaar moeten zitten op school. Jongens hebben andere emoties en reacties dan meisjes. Hier kunnen ze juist van elkaar leren. Dat zorgt ervoor dat ze op andere vlakken tijdens de ontwikkeling ook ontwikkelen. Elk kind is anders. Ook meisjes onderling zijn weer verschillend. Ik denk dat je rekening moet houden met het verschil per leerling en niet per jongen of meisje.

http://www.onderwijsvanmorgen.nl/het-verschil-tussen-jongens-en-meisjes/

Conclusie van de schrijver.
De technologie van tegenwoordig veranderd enorm. Het blijkt dat meisjes dat veel meer zien dan jongens. Het blijkt in dit artikel dat meisjes veel meer bezig zijn met hun sociale netwerk op internet en op hun telefoon. Het staat bij meisjes ook in de top 3 van hun lijstje ‘belangrijkste dingen in mijn leven’. Bij jongens staat dit niet in de top 3. Dit betekent dus dat ze er minder mee bezig zijn dan meisjes. Meisjes zijn er meer mee bezig omdat ze er gevoeliger voor zijn. Je ziet het ook terug in het spelen van spelletjes. Meisjes spelen liever spellen die realistisch zijn en met hun eigen leven te maken hebben terwijl jongens meer fantasie spellen spelen.
Ik ben het wel met dit stukje eens omdat ik denk dat er van kleins af aan al de nadruk wordt gelegd dat meisjes dit leuk ‘moeten’ vinden en jongens ‘moeten dat weer leuk vinden. Dit zet zich dan voort als de kinderen groter worden en krijgen ze beide andere behoeftes en interesses.

http://www.kennislink.nl/publicaties/verschillende-opvoeding-voor-jongens-en-meisjes

Conclusie van de schrijver
In dit artikel staat dat het in de baarmoeder al begint met het verschil tussen jongens en meisjes. Door het testosteron gehalte, dat meer wordt aan gemaakt bij jongens, wordt de rechtshersenhelft meer ontwikkelt dan de linker. Hierdoor ontstaat al gelijk het verschil. Daardoor zijn meisjes later weer beter in taal en jongens weer beter in rekenen. Als kinderen klein zijn heeft het ook te maken met de manier van opvoeden. Ze laten jongens op een andere manier hun emoties tonen dan meisjes. Dat wordt gestuurd. Jongens razen en stoeien het eruit terwijl meisjes juist gaan huilen en worden opgevangen door de verzorgers of ouders. De schrijver vind wel dat de conclusie van dit soort onderzoeken vaak kort door de bocht zijn. Er zijn namelijk wel verschillen maar het klopt niet altijd met de werkelijkheid.
Met dat laatste ben ik het zelf wel eens. Er zijn ook meisjes die beter kunnen rekenen dan jongens. Ik kan me wel voorstellen doordat de rechterhersenhelft meer wordt gestimuleerd van kleins af aan dat jongens er wel meer aanleg voor hebben en er minder moeite voor hoeven te doen. Maar dat dit soort onderzoeken kort door de bocht zijn is duidelijk.

2. Leg de conclusies van de auteur naast de theorie over de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling van jongens en meisjes. Zie ook boek ontwikkelingspsychologie voor leerkrachten basisonderwijs. Hoe sta je nu tegenover de conclusies van de auteur.

Conclusie na het lezen van de theorie.
Als leerkracht denk ik dat je wel belangrijk bent bij het verschil tussen jongens en meisjes. Je stimuleert in de klas jongens toch anders dan meisjes. Je pakt de emoties op een andere manier aan. Ik vind wel dat je op onderwijsgebied de kinderen wel op dezelfde manier behandelen. Dus niet dat je bij jongens meer aan taal doet en bij meisjes meer aan rekenen doet. Hier moet geen onderscheid in gemaakt worden. Kinderen moeten als individu gezien worden en ieder krijgt passend onderwijs. Dus of het nu een jongen of meisje is moet niet uitmaken.
Wel ben ik het er mee eens wat er wordt gezegd over de hersenen. Jongens zijn voor de geboorte al anders dan meisjes. Daar doe je gewoon niks aan. Welke theorie je er ook op loslaat. Ik vind dat dit wel gestimuleerd mag worden. Het moet alleen niet ten koste gaan van de onderwijsbehoefte van de kinderen.

3. Ondervraag de kinderen uit je klas naar hun bevindingen met verschillen tussen jongens en meisjes m.b.t. samenwerken, individueel werken, zelfstandig werken, spelen, concentratie. Bedenk een passende onderzoeksmethode.

De onderzoeksmethode die we willen gebruiken is een enquête. Een voordeel van een enquête is dat je uitsluitend de mening krijgt van degene die de enquête invult. Wij die het onderzoek doen zullen geen verdere rol daarbij hebben. We willen de enquête persoonlijk houden, daardoor zal iedereen eerlijk antwoord geven op de volgende vragen. We houden de enquête expres kort zodat de kinderen het niet een te grote moeite vinden om het in te vullen, en het niet te veel tijd kost.

Hierbij een voorbeeld van de vragen die in de enquête (voor vrouwen) voorkomen:
1. Werk je liever samen met…..?
a) Een meisje
b) Een jongen
c) Het maakt mij niet uit
d) Ik werk liever niet samen

2. Het liefste werk ik …………..
a) Helemaal alleen
b) Met iemand in een tweetal
c) In groepjes
d) Met mijn beste vriend/vriendinnetje

3. In de pauzes speel ik het liefst ……………..
a) Alleen
b) Met meisjes
c) Met jongens
d) Het maakt mij niet uit.

4. Ik kan mezelf het beste concentreren als ik werk met ……….
a) Een meisje
b) Een jongen
c) Het maakt mij niet uit.
d) Niemand, ik kan mezelf alleen concentreren als ik alleen werk.





Hierbij een voorbeeld van de vragen die in de enquête (voor mannen) voorkomen:
1. Werk je liever samen met…..?
a) Een meisje
b) Een jongen
c) Het maakt mij niet uit
d) Ik werk liever niet samen

2. Het liefste werk ik …………..
a) Helemaal alleen
b) Met iemand in een tweetal
c) In groepjes
d) Met mijn beste vriend/vriendinnetje

3. In de pauzes speel ik het liefst ……………..
a) Alleen
b) Met meisjes
c) Met jongens
d) Het maakt mij niet uit.

4. Ik kan mezelf het beste concentreren als ik werk met ……….
a) Een meisje
b) Een jongen
c) Het maakt mij niet uit.
d) Niemand, ik kan mezelf alleen concentreren als ik alleen werk.

De enquête heb ik laten invullen op 1 november 2011. We hebben in totaal 10 meisjes in de klas en 11 jongens hierbij de uitslagen van de enquêtes in een verhoudingstabel.



4. Leg de uitkomst van je onderzoek naast de ontwikkelingstheorieën m.b.t. cognitie en de sociaal emotionele ontwikkeling, en de theorie over hersenvriendelijk leren. Beschrijf wat dit betekent voor jouw handelen als leerkracht.

Kennis van verschillende theorieën over de cognitieve ontwikkeling van het kind heeft een aantal nuttige functies:

• Dit biedt een framewerk voor het begrijpen van belangrijke fenomenen
• Het biedt een handvat voor het bespreken cruciale kwesties over de menselijke natuur
• Het kan voor een beter begrip van kinderen zorgen

Er zijn vier hoofdtheorieën over de cognitieve ontwikkeling van het kind. Elke theorie heeft zo zijn eigen uitgangspunten en voor- en nadelen. De vier hoofdtheorieën zijn:

Piaget: Volgens hem creëren kinderen hun eigen ontwikkeling doordat zij actief hun omgeving verkennen, dit wordt exploreren genoemd. Piaget was een constructivist, dit houdt in dat hij van mening was dat een kind leert door kennis die hij eerder verworven heeft te verbinden aan nieuwe kennis. Een stukje kennis bouwt als het ware voort op een stukje eerder verworven kennis.

Er is bekend dat jongens sneller de kennis kunnen koppelen aan de eerder verworven kennis. Meisjes kunnen juist sneller nieuwe koppeling aanmaken, waardoor de nieuwe kennis minder snel word gekoppeld aan de verworven kennis.

Informatieverwerking: De nadruk van de informatieverwerking theorieën ligt op het hoe en waarom van informatieverwerking. Welke processen liggen hieraan ten grondslag en welke andere aspecten spelen mee. Task-analyse is identificatie van doelen, relevante informatie uit de omgeving en potentiële verwerkingstrategieën. Dit helpt onderzoekers het gedrag van kinderen begrijpen en voorspellen.
Zowel voor jongens als voor meisjes geldt dat wanneer een doel van een les duidelijk is de stof beter tot zijn recht komt.

Core-knowledge: De Core-knowledge theorie neemt aan dat het kind een actieve leerling is, constant aan het proberen problemen op te lossen en het organiseren van hun begrip in een coherent geheel. Hierbij gebruikt het kind aangeboren capaciteiten zoals leermechanismen en mentale structuren om informatie te vergaren die belangrijk is. Het kind heeft een aangeboren taalgevoeligheid welke een resultaat is van de interactie tussen natuur en omgeving.

De aangeboren capaciteiten zijn voor zowel de jongens als de meisjes verschillend (zie artikel 1 en 2)

Sociaal-cultureel: Deze theorieën leggen de nadruk op de bijdrage van andere personen en de heersende cultuur op de ontwikkeling. Een belangrijk principe hierbij is geleide participatie, dit is het proces waarbij mensen met meer kennis activiteiten organiseren waardoor mensen met minder kennis kunnen leren. Met cultural tools wordt de ontelbare hoeveelheid producten van menselijk talent die het denken verrijkt bedoeld.

Hierbij is het ook belangrijk dat de jongens en meisje van elkaar willen leren.

Er zijn twee grote psychoanalytische theorieën:
1. De theorie van Freud
2. De theorie van Erikson



In zowel de theorie van Freud als van Erikson draait de ontwikkeling om biologische rijping. Voor Freud geldt dat gedrag gemotiveerd is door het verlangen basisdriften te bevredigen. Deze driften zijn vaak onbewust en de meeste mensen hebben slechts een vaag idee waarom zij doen zoals zij doen. Voor Erikson geldt dat ontwikkeling gedreven is door een serie van ontwikkelingscrises gerelateerd aan leeftijd en biologische rijping. Om een gezonde ontwikkeling door te maken moet men deze crises succesvol oplossen.

De biologische rijping is voor zowel jongens als meisjes anders. Dat zal uiteindelijk ook zorgen voor de verschillen tussen de jongens en de meisjes.
Een onderdeel van de gezonde ontwikkeling zal voor zowel de jongens als de meisjes verschillend zijn. Dat zal uiteindelijk ook een van de oorzaken zijn van de verschillende manieren van reageren.


De theorie over hersenvriendelijk leren
Hersenen zijn parallelle verwerkers. Dat betekend dat de informatie die we tot ons krijgen, niet een voor een gaan verwerken, maar dat er van alles tegelijkertijd gebeurt. Onze hersenen zijn in staat om op meerdere manieren met informatie om te gaan. Hierbij enkele tips om daar goed mee om te gaan in de klas.

1. Zorg voor een doelgerichte, rijke leeromgeving
2. Activeer de voorkennis van de kinderen.
3. Neem de kinderen mee in de doelen die je wilt bereiken
4. Maak de doelen zichtbaar
5. Activeer de hersenen door open vragen te stellen
6. Geef kinderen ruim denktijd voordat ze een antwoord moeten geven
7. Houd de vraag ‘in de lucht’ zodat alle kinderen blijven denken.
8. Stel niet te snel vragen achter elkaar, dit zorgt voor verwarring
9. Hersenen reageren op gevisualiseerde doelen.
10. Bied informatie op verschillende manieren aan.
11. Reflecteer met de kinderen
12. Sluit af met een positieve emotie gekoppeld aan het onderwerp.


5. Identiteit: beschrijf jouw invloed als man/meester of juf/vrouw op de klas.

Ik heb een groot voordeel dat ik opgegroeid ben met 2 zussen. Ik weet dus best goed hoe ik met meisjes om moet gaan. Dit kan ik weer toepassen in de klas. Mijn inlevingsvermogen is dus ook best groot zowel bij jongens als bij meisjes. Ik weet hoe jongens hun emoties willen uiten maar dat weet ik ook bij de meisjes. Ik die manier kan ik er goed inspelen.
In mijn lessen probeer ik er ook rekening mee te houden. Jongens hebben bijvoorbeeld een kortere spanningsboog dan meisjes. Dus moet je daar in de tijdsplanning rekening mee houden. Jongens reageren ook vaak heel impulsief dus moet je van te voren daar goed de nadruk op leggen. Verder ben ik als leerkracht heel erg gebaat bij dat kinderen van elkaar leren. Jongens leren van meisjes en andersom. Daarom zouden deze 2 geslachten nooit apart van elkaar moeten zijn.

De tips die ik in de klas zal gebruiken zijn:
1. Zorg voor een doelgerichte, rijke leeromgeving
2. Activeer de voorkennis van de kinderen.
3. Maak de doelen zichtbaar
4. Activeer de hersenen door open vragen te stellen
5. Geef kinderen ruim denktijd voordat ze een antwoord moeten geven
6. Stel niet te snel vragen achter elkaar, dit zorgt voor verwarring
7. Bied informatie op verschillende manieren aan.
8. Sluit af met een positieve emotie gekoppeld aan het onderwerp.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen